Naar de inhoud

Rekenen oefenen thuis: zo help je je kind

Rekenen oefenen thuis hoeft geen extra huiswerk te worden. Een paar korte, vaste momenten per week, rekenen in gewone dingen als koken en boodschappen, en een ouder die vraagt hoe je kind iets aanpakt: daarmee kom je al ver. In deze gids lees je hoe lang en hoe vaak je oefent, wat er per groep aan bod komt, hoe je het leuk houdt en wanneer je beter even stopt.

Hoe vaak en hoe lang oefen je?

Kort en vaak werkt meestal beter dan lang en af en toe. Voor de meeste kinderen in groep 4 t/m 8 is 10 à 15 minuten op een paar vaste dagen per week genoeg. Een kwartier op dinsdag, donderdag en zaterdag levert vaak meer op dan een uur op zondagmiddag.

Dat heeft een paar redenen. Een kind houdt zijn aandacht maar een tijdje vast, en na een kwartier gaan de fouten vaak meer over moeheid dan over rekenen. Bovendien blijft wat je verspreid over de week oefent beter hangen dan wat je in één keer erin stampt. En een korte sessie is makkelijker vol te houden, voor je kind én voor jou.

  • Kies een vast moment, bijvoorbeeld na het eten of vlak voor het voorlezen. Dan hoef je er niet elke dag over te onderhandelen.
  • Begin kleiner dan je denkt. In groep 4 is 10 minuten vaak al flink; in groep 7 en 8 kan een kwartier tot twintig minuten prima.
  • Stop terwijl het nog leuk is. Een kind dat met een goed gevoel stopt, begint de volgende keer makkelijker.
  • Sla gerust een dag over als je kind moe of ziek is. Het ritme over een paar weken telt, niet die ene dag.

Tip voor thuis: Zet een kookwekker of timer. Dan weet je kind dat er een eind aan komt, en hoef jij niet te bepalen wanneer het genoeg is.

Wat oefen je in welke groep?

Oefen vooral wat je kind op school al heeft gehad, en dan het stuk dat nog niet vlot gaat. Grofweg ziet de rekenstof er zo uit. Elke school en rekenmethode kiest een eigen volgorde, dus het kan zijn dat jouw kind iets eerder of later tegenkomt.

  • Groep 4: plussen en minnen tot 20 uit het hoofd, getallen tot 100, over het tiental, de eerste tafels, de klok tot op het kwartier en munten tellen. Meer in rekenen in groep 4.
  • Groep 5: de tafels vlot leren, getallen tot 1000, klokkijken tot op vijf minuten, afrekenen en wisselgeld, en een eerste kennismaking met de helft en een kwart. Meer in rekenen in groep 5.
  • Groep 6: breuken en kommagetallen, getallen tot 10.000, onder elkaar rekenen, het metriek stelsel en de verhoudingstabel. Meer in rekenen in groep 6.
  • Groep 7: procenten, verhoudingen en schaal, rekenen met breuken en kommagetallen, de staartdeling en oppervlakte. Meer in rekenen in groep 7.
  • Groep 8: negatieve getallen, schaal en snelheid, korting en procenten, keer en delen met breuken, inhoud en het gemiddelde. Meer in rekenen in groep 8.

Weet je niet goed waar je kind staat? Kijk dan in het schrift of de toetsen die mee naar huis komen, of vraag het de leerkracht. Die kan vaak precies zeggen welk onderdeel thuis het meeste oplevert.

Eerst begrijpen, dan vlot maken

Oefen pas op snelheid als je kind snapt hoe een som werkt. Wie niet begrijpt wat keer betekent, leert de tafels als losse rijtjes uit het hoofd, en die zakken snel weg. Wie wel snapt hoe ze in elkaar zitten, kan een vergeten antwoord terugvinden.

Bij de tafels ziet dat er zo uit. Een kind dat de tafels van 2, 5 en 10 kent, kan de rest daaruit afleiden. Pas als dat lukt, heeft het zin om te oefenen tot het antwoord vanzelf komt.

6 × 7 = 5 × 7 + 7 = 35 + 7 = 429 × 8 = 10 × 8 − 8 = 80 − 8 = 72

Vanuit een tafel die je al kent naar een moeilijkere.

Hetzelfde geldt voor plussen en minnen: eerst leren splitsen en via het tiental rekenen, daarna pas vlot worden. Hoe je dat stap voor stap aanpakt, lees je in hoofdrekenen oefenen: plussen en minnen slim aanpakken en tafels oefenen.

Weet je zelf niet meer hoe de school een som uitlegt? De korte uitlegvideo’s per groep laten de gebruikelijke aanpak zien, zodat je thuis dezelfde taal spreekt.

Rekenen in het dagelijks leven

De makkelijkste manier om spelenderwijs te rekenen, is in dingen die je toch al doet. Kinderen merken dan dat rekenen ergens voor nodig is, en het voelt niet als oefenen. Een paar ideeën, van jong naar oud.

In de keuken

  • Groep 4 en 5: laat je kind afwegen en afmeten. Hoeveel gram meel staat er op de weegschaal? Hoeveel bekers water zijn een halve liter? Snijd een pizza in helften en kwarten.
  • Groep 6 t/m 8: laat een recept omrekenen. Staat er 300 gram pasta voor 4 personen en eten jullie met 6, dan is dat 450 gram. Dat is precies de verhoudingstabel uit de klas.

In de winkel

  • Groep 4 en 5: laat je kind kleine bedragen zelf betalen met munten, en vraag vooraf hoeveel het terugkrijgt.
  • Groep 6 t/m 8: laat schatten wat de boodschappen samen ongeveer kosten, of welk pak voordeliger is per kilo. Bij een bordje met 25% korting op een trui van €40: hoeveel betaal je dan? (€30.)

Meer ideeën voor de kassa en het zakgeld staan in rekenen met geld.

Klok en planning

  • Groep 4: noem de tijd hardop en laat je kind meekijken op een wijzerklok. ‘Het is half acht, om acht uur ga je naar bed.’
  • Groep 5 t/m 8: vraag hoe lang iets nog duurt. De film begint om 19:15 en het is nu 18:50: hoeveel minuten nog? Of laat je kind uitzoeken hoe laat jullie weg moeten om op tijd bij de sportclub te zijn.

Onderweg

  • Jongere kinderen: tel rode auto’s, tel de cijfers op een kenteken bij elkaar op, of zoek het hoogste huisnummer in de straat.
  • Oudere kinderen: lees de afstanden op de borden langs de weg. Nog 50 kilometer en jullie rijden 100 kilometer per uur: hoe lang duurt het nog? Op de fiets kan dat ook met een route op de kaart.

Spelletjes

  • Met dobbelstenen tel je vanzelf op. Gooi met twee of drie stenen en tel samen, of tel dubbele worpen als ‘dubbel 4 is 8’.
  • Dobbelspellen als Yahtzee of Regenwormen zijn bijna helemaal rekenen: scores optellen, keer uitrekenen en kiezen wat het meeste oplevert.
  • Met een gewoon spel kaarten kan veel. Jongere kinderen leggen samen 10 met twee kaarten. Oudere kinderen trekken vier kaarten en proberen met plus, min, keer en delen op 24 uit te komen.

Tip voor thuis: Vraag niet alleen naar het antwoord, maar ook: ‘Hoe wist je dat?’ Zo hoor je hoe je kind rekent, en leert het zelf onder woorden brengen wat het doet.

Oefenen zonder strijd

Oefenen loopt het best als je kind zich veilig voelt om fouten te maken. Een paar gewoontes helpen daarbij.

  • Laat je kind hardop denken. ‘Vertel eens hoe je het doet’ geeft je meer informatie dan alleen een goed of fout antwoord.
  • Zie fouten als informatie. Een fout laat vaak precies zien waar het misgaat. Dat is waardevoller dan een rijtje goede antwoorden.
  • Volg de aanpak van school. Vraag de leerkracht welke manier de klas gebruikt, en leg het thuis niet heel anders uit. Twee methodes door elkaar maakt het voor veel kinderen alleen maar lastiger.
  • Loop niet te ver vooruit. Breuken in groep 4 of de staartdeling in groep 5 levert vooral verwarring op. Beter iets wat al bekend is, echt vlot maken.
  • Geef complimenten voor de aanpak, niet voor de snelheid. ‘Slim dat je eerst naar de 10 sprong’ zegt meer dan ‘wat ben jij snel’.
  • Maak duidelijke afspraken over schermtijd. Spreek af wanneer oefenen op een tablet of laptop is, en hoe lang. Dan wordt het geen discussie op het moment zelf.

Een voorbeeld van een fout die iets vertelt:

52 − 17 =45 (fout)35 (goed)

Bij de eenheden de kleinste van de grootste afgetrokken: 7 − 2 = 5 in plaats van 2 − 7. Dit kind kan prima aftrekken, maar loopt vast als het over het tiental moet. Daar moet je dus oefenen, niet bij aftrekken in het algemeen.

Zie je dat je kind gespannen raakt, gaat huilen of steeds ‘ik kan het niet’ zegt? Stop dan en maak het de volgende keer korter en makkelijker. Blijft het moeizaam, lees dan je kind vindt rekenen moeilijk: wat kun je doen? Daar staat ook wanneer het verstandig is om met school te overleggen.

Vakanties en drukke weken

In vakanties en drukke weken is minder prima, zolang het niet helemaal stilvalt. Een paar minuten per dag, of rekenen onderweg en in de winkel, houdt de basis warm.

Na een lange zomer zijn vaak vooral de tafels en het hoofdrekenen wat weggezakt. Wil je dat voorkomen, houd dan juist die twee een beetje bij. Ideeën voor op de camping, in de auto en op het strand staan in rekenen oefenen in de vakantie.

Is het een drukke week met toetsen, sport of logeerpartijen? Laat het oefenen dan gerust even los. Haal het daarna niet in met lange sessies, maar pak gewoon het oude ritme weer op.

Zo helpt Summi

Summi geeft het oefenen thuis een vast ritme. Elke dag staat er een missie klaar van 16 opgaven met aan het eind een eindbaas. Daarna stopt je kind, of oefent het verder in de Oefenhoek. Jij kiest per kind een dagdoel in actieve minuten (10, 15, 20 of 30) en op hoeveel dagen per week (3 t/m 7). Stilzitten en gokken tellen niet mee. Bij de weektaak kun je zelf een afspraak of beloning invullen.

Summi past het niveau per vaardigheid aan en herkent foutpatronen, zoals optellen in plaats van keer. Je kind krijgt dan een korte tip en een paar gerichte opgaven, en fouten kosten geen munten of punten. In het ouderdeel zie je per vaardigheid hoe ver je kind is, welke fouten het maakt met een tip voor thuis, en hoeveel minuten er is geoefend. Hoe je begint, lees je op starten met Summi.

Handig voor andere ouders of de klassenapp?

Deel deze gids