Naar de inhoud

Hoofdrekenen oefenen: plussen en minnen slim aanpakken

Hoofdrekenen is de basis onder bijna alles wat je kind op de basisschool met getallen doet: wisselgeld, klokkijken, tafels en later breuken en procenten. Wie hoofdrekenen oefent, oefent niet alleen sneller rekenen, maar vooral slimmer rekenen. Hieronder lees je welke aanpakken kinderen leren, van sommen tot 20 tot getallen van duizenden, welke fouten vaak voorkomen en hoe je thuis helpt zonder werkbladen.

Wat is hoofdrekenen?

Hoofdrekenen is rekenen met hele getallen in je hoofd, zonder de som onder elkaar te zetten. Een kladblaadje of een getekende getallenlijn voor een tussenstap mag gewoon. Bij hoofdrekenen zie je 47 als 40 en 7, en kies je zelf hoe je de som in handige stukken knipt.

Dat is iets anders dan cijferend rekenen, waarbij je getallen onder elkaar zet en per kolom met losse cijfers rekent. Cijferend rekenen komt vanaf groep 5 en 6 en is handig bij lastige, grote getallen. Hoofdrekenen blijft daarnaast nodig: om te schatten of een uitkomst kan kloppen, en omdat veel sommen in je hoofd sneller gaan dan op papier. Hoe cijferend vermenigvuldigen en delen werkt, lees je in De staartdeling en cijferend vermenigvuldigen.

Snel is overigens niet het eerste doel. Eerst moet je kind een aanpak snappen en kunnen uitleggen. Vlot rekenen volgt vanzelf als die aanpak vaak genoeg terugkomt.

Sommen tot 20: weten in plaats van tellen

Sommen tot 20 zijn de bouwstenen van al het andere rekenwerk. Het doel is dat je kind ze weet of snel afleidt, zonder op de vingers te tellen. Drie hulpmiddelen maken dat makkelijker.

  • Vriendjes van 10. De paren die samen 10 maken: 1 en 9, 2 en 8, 3 en 7, 4 en 6, 5 en 5. Die moeten echt vastzitten, want bijna elke strategie leunt erop.
  • Dubbelsommen en bijna-dubbel. 6 + 6 en 7 + 7 onthouden kinderen vaak snel. Een som die er vlak naast ligt, reken je dan vanuit het dubbele uit.
  • Via de 10. Eerst de 10 vol maken, dan de rest erbij. Bij min eerst terug naar 10, dan verder.
6 + 7 = 6 + 6 + 1 = 139 + 6 = 10 + 6 − 1 = 15

Bijna-dubbel: 6 + 7 is één meer dan 6 + 6. En 9 is bijna 10.

7 + 6 = 7 + 3 + 3 = 1315 − 7 = 15 − 5 − 2 = 8

Via de 10: de 6 wordt 3 en 3, de 7 wordt 5 en 2.

Minsommen worden makkelijker als je kind ziet dat ze bij een plussom horen. Wie weet dat 6 + 7 = 13, weet ook dat 13 − 6 = 7 en 13 − 7 = 6. In de uitlegvideo’s onderaan deze pagina zie je optellen en aftrekken tot 20 en dubbelsommen nog eens stap voor stap.

7 + 5 =11 (fout)12 (goed)

Het begingetal meegeteld: je kind zegt ‘7, 8, 9, 10, 11’ en telt de 7 als eerste stap. Laat het tellen vanaf het volgende getal, of beter nog: via de 10 rekenen (7 + 3 + 2).

Telt je kind halverwege groep 5 nog steeds elke som tot 20 op de vingers uit, bespreek het dan met de leerkracht. Wat je zelf kunt doen, staat in Je kind vindt rekenen moeilijk: wat kun je doen?

Tot 100: rijgen en splitsen

Voor plussommen tot 100 leren kinderen twee aanpakken: rijgen en splitsen. Bij rijgen laat je het eerste getal heel en spring je het tweede getal er in stukken bij. Bij splitsen reken je de tientallen en de eenheden apart uit en voeg je ze daarna samen.

47 + 25 = 47 + 20 + 3 + 2 = 72

Rijgen: eerst de tientallen erbij, dan via het hele tiental de eenheden.

47 + 25 = 60 + 12 = 72

Splitsen: 40 + 20 = 60 en 7 + 5 = 12. Samen 72.

Welke aanpak de school het eerst aanleert, verschilt per rekenmethode. Vraag het even na, zodat je thuis niet een tweede manier gaat uitleggen terwijl de eerste nog niet zit. Rijgen gaat vaak samen met een lege getallenlijn waarop je kind de sprongen tekent. Splitsen voelt voor veel kinderen logisch bij plus, maar geeft bij min snel problemen, zoals je hieronder bij aftrekken ziet.

Het lastige moment is over het tiental gaan, zoals bij 47 + 25 van 67 naar 72. Je kind springt dan eerst naar het hele tiental (70) en doet daarna de rest. Wat ook mis kan gaan: in de verkeerde richting springen, bijvoorbeeld bij 56 + 7 eerst naar 50 in plaats van naar 60.

46 + 8 =44 (fout)54 (goed)

Het tiental vergeten. 6 + 8 is 14, je kind schrijft de 4 op en laat de 4 tientallen staan. Vraag eerst: komt het antwoord boven of onder de 50? Springen via 50 (46 + 4 + 4) maakt de stap over het tiental zichtbaar.

Wat je kind per groep precies met deze getallen doet, lees je in Rekenen in groep 4 en Rekenen in groep 5.

Aftrekken: terugspringen of aanvullen

Een minsom kun je op twee manieren uitrekenen. Bij terugspringen haal je het getal er in stukken af. Bij aanvullen tel je op vanaf het kleinste getal tot je bij het grootste bent. Wat het handigst is, hangt af van de getallen.

−20−3−535404363

63 − 28 = 35

Terugspringen: eerst 20 eraf, dan 3 tot het hele tiental, dan de laatste 5.

+2+2586062

62 − 58 = 4

Aanvullen: van 58 naar 60 is 2, van 60 naar 62 is 2. Samen 4.

Een handige vuistregel: liggen de getallen ver uit elkaar, spring dan terug (81 − 6, 63 − 28). Liggen ze dicht bij elkaar, vul dan aan (62 − 58, 1003 − 997). Wie bij 62 − 58 netjes terugspringt, maakt een lange reeks sprongen voor een antwoord van 4. Aanvullen is ook precies hoe je wisselgeld uitrekent; meer daarover in Rekenen met geld: tellen, afrekenen en wisselgeld.

63 − 28 =45 (fout)35 (goed)

Per cijfer het kleinste van het grootste gehaald: 6 − 2 = 4 en 8 − 3 = 5. Dit gebeurt vaak bij splitsen, omdat 3 − 8 niet lijkt te kunnen. Laat het 63 heel houden en terugspringen, zoals op de getallenlijn hierboven.

Bij aanvullen tot 100 zie je een vergelijkbare fout: elk cijfer apart aanvullen tot 10. Bij 72 + ? = 100 wordt het dan 38 in plaats van 28. Eerst naar het volgende tiental (80) en dan naar 100 voorkomt dat.

Handig rekenen en grote getallen

Handig rekenen betekent: eerst naar de som kijken en dan de makkelijkste route kiezen. De bekendste truc is compenseren. Je maakt van een lastig getal een mooi rond getal en verrekent het verschil daarna.

49 + 26 = 50 + 25 = 7583 − 19 = 83 − 20 + 1 = 64

49 is 1 minder dan 50. Geef die 1 door aan de 26, of haal hem aan het eind eraf.

83 − 19 =62 (fout)64 (goed)

De verkeerde kant op verrekend. Je kind haalt 20 eraf en daarna nog 1, maar het heeft er al 1 te veel afgehaald. Die moet er dus weer bij. Vraag: heb je te veel of te weinig weggehaald?

Andere handige trucs: bij plus mag je de getallen omdraaien (6 + 39 = 39 + 6), en getallen die samen 10 of 100 maken zoek je eerst bij elkaar (25 + 36 + 75 = 100 + 36). Juist omdat er meerdere routes zijn, helpt het om je kind te vragen hoe het rekende. Een ander pad dan het jouwe is prima, zolang het klopt.

In groep 6 tot en met 8 worden de getallen groter, maar de aanpak blijft hetzelfde. Wie in honderdtallen of duizendtallen denkt, rekent eigenlijk weer een som tot 100.

3400 + 2800 = 62007000 − 2600 = 4400

34 honderd + 28 honderd = 62 honderd. Bij min: van 2600 naar 3000 is 400, van 3000 naar 7000 is 4000.

460 + 30 =463 (fout)490 (goed)

Tientallen opgeteld alsof het eenheden zijn. Denk in tientallen: 46 tientallen + 3 tientallen = 49 tientallen, dus 490.

Meer over grote getallen in de bovenbouw lees je in Rekenen in groep 6.

Schatten en controleren: kan dit kloppen?

Schatten is ongeveer uitrekenen met ronde getallen, zodat je kind kan zien of een antwoord kan kloppen. Het is geen gokken: je rondt eerst af en rekent dan met de makkelijke getallen.

47 + 25 ≈ 50 + 25 = 75596 + 189 ≈ 600 + 200 = 800

Geschat 75, precies 72. Een antwoord als 612 of 27 valt dan meteen op.

Bij afronden kijk je naar het cijfer rechts van de plek waarop je afrondt. Is dat 5 of meer, dan ga je omhoog. Een tweede controle is de omgekeerde som: klopt 47 + 25 = 72, dan moet 72 − 25 weer 47 zijn.

schatting van 596 + 189 =600 (fout)800 (goed)

Altijd naar beneden afgerond: 596 wordt 500 en 189 wordt 100. Vraag je kind: ligt 596 dichter bij 500 of bij 600?

Maak er thuis een gewoonte van om bij een uitkomst kort te vragen: ‘Kan dat kloppen?’ Kinderen die dat zelf gaan doen, vangen veel van hun eigen fouten op.

Zo help je thuis

Hoofdrekenen oefen je het makkelijkst tussendoor, met spelletjes en in het dagelijks leven. Een paar minuten is genoeg.

  • Dobbelstenen tot 100. Gooi om de beurt twee dobbelstenen en kies welk getal je maakt: 3 en 5 wordt 35 of 53. Tel het bij je score op. Na drie beurten wint wie het dichtst bij 100 zit zonder eroverheen te gaan.
  • Vriendjes van 10 met kaarten. Haal de plaatjes uit een kaartspel en leg de kaarten aas tot en met 10 gedekt neer. Draai er om de beurt twee om: maken ze samen 10, dan mag je ze houden.
  • In de auto. Noem een getal en laat je kind zeggen hoeveel er nog bij moet tot 100. Of lees een bord: nog 38 km, de afslag is over 15 km. Hoe ver is het daarna nog?
  • Bij de boodschappen. Laat je kind de prijzen in het mandje op hele euro’s afronden en het totaal schatten. Aan de kassa zie je hoe dicht het erbij zat.
  • Aftellen in sprongen. Tel samen terug vanaf 100 in sprongen van 5, daarna van 7. Over een tiental heen springen gaat zo vanzelf.

Tip voor thuis: Vraag na een som niet alleen of het goed is, maar ook ‘Hoe deed je dat?’ en ‘Kan het ook anders?’ Zo leert je kind kiezen tussen rijgen, aanvullen en compenseren, en hoor jij waar het nog hapert.

Meer over hoe vaak en hoe lang je thuis oefent, lees je in Rekenen oefenen thuis: zo help je je kind. Keersommen oefen je op een vergelijkbare manier, zie Tafels oefenen: zo pak je het aan.

Zo helpt Summi

Plussen en minnen oefent je kind op het Sprongstrand. Elk goed antwoord is daar een sprong verder over de getallenlijn, en na een plus- of minsom laat Summi zien hoe je die in handige sprongen maakt, via het hele tiental. Summi houdt per vaardigheid bij hoe het gaat, van sommen tot 20 en over het tiental tot aanvullen, grote getallen en schatten, en kiest daar het niveau op.

Herkent Summi een bekende fout, zoals het tiental vergeten of het kleinste cijfer van het grootste halen, dan krijgt je kind een korte tip en een paar gerichte opgaven. Als ouder zie je per vaardigheid hoe ver je kind is en welke foutpatronen opvallen, met een tip voor thuis.

Uitlegvideo's om samen te kijken

Summi legt het in een paar minuten uit, met een handige truc en sommen om samen te oefenen. Kijk de video samen met je kind.

  • Optellen tot 20

    De truc: eerst naar tien

  • Aftrekken tot 20

    De truc: eerst terug naar tien

  • Dubbelsommen

    De truc: bijna dubbel

  • Optellen tot 100

    De truc: sprongen op de getallenlijn

Meer video's? Bekijk alle uitlegvideo's van Summi.

Handig voor andere ouders of de klassenapp?

Deel deze gids