Rekenen groep 3: wat leert je kind en hoe oefen je thuis?
Groep 3 is het jaar van de echte sommen. Je kind begint met splitsen en sommen tot 10 en rekent aan het eind van het jaar tot 20, ook over de 10 heen. Daarnaast komen hele uren en munten voorbij. Hoe snel dat gaat, verschilt per school: elke rekenmethode deelt het jaar in eigen blokken in. Zie dit dus als een overzicht van wat gebruikelijk is, niet als een vast rooster.
Splitsen tot 10
Splitsen is de basis van groep 3. Je kind leert dat 7 bestaat uit 4 en 3, maar ook uit 5 en 2 of 6 en 1. Op school gebeurt dat vaak met een splitshuisje: bovenin, op het dak, staat het totaal. In de twee kamers eronder staan de twee delen.
De belangrijkste splitsingen zijn die van 10: de ‘vriendjes van 10’, zoals 6 en 4 of 7 en 3. Die heeft je kind later steeds weer nodig, vooral bij sommen over de 10.
7 is 4 en ? =7 (fout)3 (goed)
Het totaal genoemd in plaats van het stukje dat ontbreekt. Speel het na met knikkers onder een beker: ‘Het zijn er 7 samen, je ziet er 4. Hoeveel liggen er onder de beker?’
Plus en min tot 10: de bussom
De eerste plus- en minsommen zijn vaak verhaaltjes met een plaatje. Een bekende is de bussom: in de bus zitten 4 mensen, er stappen er 3 in. Hoeveel zitten er nu in de bus? Zo ziet je kind wat een som betekent voordat het de cijfers ziet.
Eerst het verhaal, dan het plaatje, dan de kale som.
8 − 2 =10 (fout)6 (goed)
Erbij en eraf verwisseld. Je kind telt erbij terwijl er mensen uitstappen. Speel het na met speelgoed: 8 knuffels in de bus, er stappen er 2 uit. Worden het er meer of minder?
Het rekenrek
In bijna elke groep 3 staat een rekenrek: twee rijen van tien kralen. Op elke rij zijn er 5 rood en 5 wit. Door die kleuren hoeft je kind niet meer elke kraal te tellen. Het ziet in één keer dat 8 bestaat uit 5 rode en 3 witte, en dat 13 een volle rij van 10 is met nog 3 erbij.
Dat ‘in één keer zien’ is meer dan een handigheidje: het helpt je kind om van tellen naar rekenen te gaan. Twee handen met tien vingers werken op dezelfde manier: een volle hand is 5.
Getallen en sommen tot 20
Halverwege het jaar gaan de getallen tot 20. Je kind leert dat 14 een tien en een vier is. De eerste sommen tot 20 gaan nog niet over de 10 heen: je rekent alleen met de losse getallen achter de 10.
De 10 blijft staan: 3 + 4 = 7, dus 13 + 4 = 17.
Ook nieuw zijn de dubbelen: 3 + 3, 5 + 5, 6 + 6. Kinderen onthouden die vaak snel, en ze zijn een handig opstapje. Wie weet dat 6 + 6 = 12, kan 6 + 7 uitrekenen als ‘eentje meer’. Dat heet een bijna-dubbele.
Bijna-dubbel: 7 is één meer dan 6, dus het antwoord is één meer dan 12.
Daarnaast tellen kinderen in sprongen: per 2 (2, 4, 6, 8), per 5 en per 10. Aan het eind van het jaar tellen ze in sprongen van 10 door tot 100: 10, 20, 30, tot en met 100. Met getallen tot 100 rekenen komt pas in groep 4.
Over de 10: rekenen via de 10
Het lastigste stuk van groep 3 komt meestal aan het eind: sommen over de 10, zoals 6 + 8. Je kind leert dan eerst de 10 vol te maken en daarna de rest erbij te doen. Hier komen de vriendjes van 10 en het rekenrek samen.
Splits de 8 in 4 en 4: met 4 kom je precies op 10.
6 + 8 =13 (fout)14 (goed)
Alles opnieuw geteld vanaf 1. Bij 14 vingers of kralen sla je er makkelijk eentje over. Laat je kind verder tellen vanaf de 6, of nog beter: via de 10.
7 + 5 =2 (fout)12 (goed)
De 10 vergeten. Je kind maakt de 10 vol met 7 + 3, rekent de 2 die overblijft uit en vergeet de 10 ervoor. Laat de som op een rekenrek zien, of met twee handen vol vingers: eerst de 10 vol, dan verder.
In groep 4 moeten deze sommen uit het hoofd gaan lukken. Hoe dat verder gaat, lees je in Rekenen in groep 4.
De klok: hele uren
In groep 3 leert je kind de hele uren op de wijzerklok. De grote wijzer staat dan op de 12, de kleine wijzer wijst het uur aan. Halve uren komen aan het eind van groep 3 of in groep 4.
- zeven uur
- drie uur
=12 uur (fout)3 uur (goed)
De wijzers verwisseld. Je kind kijkt naar de grote wijzer, want die valt het meest op. Spreek af: de kleine wijzer zegt het uur.
Meer over de klok, ook voor later, lees je in Klokkijken oefenen: van hele uren tot tijdsduur.
Geld tellen tot €10
Je kind leert de munten van €1 en €2 en het briefje van €5 herkennen, en telt op hoeveel geld er ligt, tot €10. Daar komt de vijfstructuur van het rekenrek weer terug: een briefje van 5 is een volle hand.
€5 + €2 + €1 + €1 = €9
Let op als je kind ‘4 euro’ zegt: dan telt het de stukken geld, niet wat ze waard zijn. Begin bij het grootste en tel verder: 5, 7, 8, 9.
Rekenen en lezen tegelijk
Groep 3 leert niet alleen rekenen, maar ook lezen. Een verhaaltjessom is voor veel kinderen daardoor nog lastig, ook als de som zelf makkelijk is. Op school wordt de opgave vaak voorgelezen, ook bij toetsen. Merk je dat je kind vastloopt op een opdracht, lees hem dan eerst samen voor. Dan weet je of het aan het lezen ligt of aan het rekenen.
Alle onderwerpen van groep 3 op een rij
Dit is de leerlijn die Summi in groep 3 volgt, gebaseerd op de tussendoelen van SLO. Het zijn 12 vaardigheden in 5 onderwerpen. 6 daarvan zijn nieuw in groep 3. De rest komt uit eerdere groepen en wordt nu vlotter of groter.
Tellen
- GetalbeeldenZiet in één keer hoeveel het er zijn, zonder te tellen: dobbelsteen en vingers tot 6, daarna het rekenrek tot 10 en (groep 3) tot 20.
- Tellen tot 20Telt voorwerpen die door elkaar liggen tot 10 (groep 2) en tot 20 in groepjes van vijf (groep 3).
- De telrijWeet welk getal ontbreekt in de telrij, telt door en terug vanaf elk getal en springt in groep 3 met 2, 5 en 10 (tot 100).
Plus en min
- SplitsenWeet hoe je een getal in twee stukken verdeelt: 7 is 3 en 4. In groep 2 tot 6, in groep 3 tot 10 met het splitshuisje.
- Plus en min tot 10nieuwRekent sommen tot 10 met de bus: 4 in de bus, 3 stappen in. Eerst met plaatjes, daarna als kale som 4 + 3.
- DubbelennieuwKent de dubbelsommen tot 10 + 10 uit het hoofd: 4 + 4, 6 + 6, 8 + 8.
- Plus en min tot 20nieuwRekent sommen tussen 10 en 20 zonder over de tien te gaan: 13 + 4, 17 − 5 (eerst met het rekenrek).
- Via de tiennieuwRekent sommen over de tien heen door eerst de tien vol te maken: 6 + 8 = 6 + 4 + 4 = 14, en 13 − 5 = 13 − 3 − 2 = 8.
Vormen en patronen
- Waar is het?Begrijpt op, onder, in, voor, achter en naast, en in groep 3 ook links en rechts.
- PatronenZiet de regel in een patroon en zet het voort: rood-blauw-rood-blauw, daarna lastiger patronen als rond-rond-vierkant.
Geld
- Euro's tellennieuwHerkent de munten van €1 en €2 en het briefje van €5 (groep 3) en telt op hoeveel euro het samen is, tot €10.
Klok
- Hele urennieuwLeest hele uren op de wijzerklok (groep 3): staat de grote wijzer op de 12, dan wijst de kleine wijzer het uur aan.
Zo oefen je thuis
- Gooi met twee dobbelstenen. Bij een dubbele worp zeg je samen de som: ‘dubbel 4 is 8’.
- Speel bussommen na met knuffels of autootjes: er zitten er 5 in, er stappen er 2 uit.
- Vraag ‘hoeveel nog tot 10?’ bij alles wat je telt: traptreden, knopen, druiven.
- Laat je kind in de winkel of bij het zakgeld munten tellen: eerst het briefje van 5, dan verder.
- Kijk samen op de klok bij het eten: ‘Het is zes uur, de grote wijzer staat op de 12.’
Tip voor thuis: Kort en vaak werkt beter dan lang. Een paar minuten per dag is genoeg, en stop terwijl het nog leuk is. Meer ideeën voor sommen uit het hoofd staan in Hoofdrekenen oefenen.
Zo helpt Summi
Kies je bij het profiel groep 3, dan speelt je kind in de Speeltuin, de wereld van Summi voor groep 1 tot en met 3. Summi leest elke opgave voor en je kind tikt op grote plaatjes. Lezen is dus niet nodig.
In groep 3 ziet je kind tien tegels: Tellen, Flitsen, Op een rij, Vormen, Patronen, Erbij en eraf, Splitsen, Sommen tot 20, Klok en Geld. Een ronde is 8 opgaven. Daarna krijgt je kind sterren en een sticker voor het stickerboek. Het dagdoel staat standaard op 5 minuten, en als ouder zie je per onderwerp hoe het gaat.
Gaat je kind naar groep 4, dan speelt het verder op de wereldkaart van Summi, met sommen tot 100, de tafels en meer.
Handig voor andere ouders of de klassenapp?
Deel deze gids