Naar de inhoud

Rekenen groep 1: wat leert je kind en hoe oefen je thuis?

In groep 1 maken kinderen nog geen sommen. Rekenen gaat over gevoel voor getallen en hoeveelheden: tellen, vergelijken, vormen en patronen ontdekken. Leerkrachten noemen dat gecijferd bewustzijn. Het gebeurt vooral spelenderwijs, in de kring, in de bouwhoek en op het plein. Welke onderwerpen wanneer aan bod komen, verschilt per school en per methode. Zie dit dus als een overzicht van wat gebruikelijk is, niet als een lijst die je kind af moet hebben. Wat erna komt, lees je in Rekenen in groep 2.

Tellen: van opzeggen naar hoeveel

Tellen lijkt één vaardigheid, maar het zijn er eigenlijk drie, die na elkaar komen.

  • Opzeggen (akoestisch tellen): de telrij opzeggen, zoals een liedje. Veel kleuters kunnen in groep 1 tot 10 of 12 tellen, maar weten nog niet dat elk telwoord bij één ding hoort.
  • Aanwijzen (synchroon tellen): bij elk telwoord één ding aanwijzen. Zeggen en wijzen moeten gelijk op gaan, en dat is lastiger dan het lijkt.
  • Weten hoeveel (resultatief tellen): het laatste getal dat je zegt, is het aantal. ‘Een, twee, drie, vier. Het zijn er vier.’

In groep 1 gaat het om hoeveelheden tot ongeveer 6. Dingen op een rij zijn makkelijker dan dingen die door elkaar liggen. Dan moet je kind ook onthouden welke het al gehad heeft.

Vier eendjes op een rij. Wie tot vier telt en dan zegt ‘vier eendjes’, weet hoeveel het er zijn.

Vijf eendjes door elkaar =6 (fout)5 (goed)

Een eendje twee keer geteld, of er juist een overgeslagen. Dat gebeurt vooral als dingen door elkaar liggen. Laat je kind elk ding aantikken of opzij schuiven terwijl het telt. Dan ziet het wat al geteld is.

Hoeveel appels? Vier appels =1, 2, 3, 4 (fout)4 (goed)

Je kind telt netjes, maar zegt op ‘hoeveel zijn het?’ het hele rijtje nog een keer, of begint opnieuw. Het weet nog niet dat het laatste telwoord het antwoord is. Doe het zelf voor en leg de nadruk op dat laatste woord: ‘Een, twee, drie, vier. Vier appels.’

Meer, minder en evenveel

Waar liggen de meeste knikkers? Wie heeft minder koekjes? Kleuters vergelijken eerst op het oog. Bij een groot verschil lukt dat goed. Is het verschil klein, dan moeten ze tellen of de dingen netjes naast elkaar leggen.

Evenveel is het lastigste begrip. Een rij die verder uit elkaar ligt, lijkt voor veel kleuters ‘meer’, ook als er precies evenveel in zitten. Ook de woorden zelf moeten ze leren: meer, minder, evenveel, de meeste en de minste.

Waar zijn er minder: twee of vijf? =5 (fout)2 (goed)

Meer en minder verwisseld. Sommige kleuters wijzen bij allebei de woorden de grootste groep aan. Gebruik ‘minder’ bewust in het dagelijks leven: ‘Jij hebt minder druiven dan ik. Zal ik je er eentje geven?’

Getalbeelden: zien zonder tellen

Een dobbelsteen met vijf ogen hoef je niet te tellen: je ziet het meteen. Dat heet een getalbeeld. In groep 1 leren kleuters de eerste getalbeelden kennen: de dobbelsteen en vingers tot 5 of 6. Eerst tellen ze de ogen nog na, langzaam herkennen ze een paar beelden in één keer. In groep 2 wordt dat steviger.

Wie een hoeveelheid in één keer ziet, hoeft niet meer alles één voor één te tellen. Daar bouwt het rekenen in groep 2 en 3 op voort, bijvoorbeeld bij rekenen met vijf en tien.

Vier, op drie manieren. Van plaatje naar cijfer is ook de volgorde waarin kinderen het leren.

Cijfers herkennen

Naast hoeveelheden leren kleuters de cijfers kennen, in groep 1 tot ongeveer 5 of 6. Het gaat om herkennen en koppelen: bij de 3 horen drie dingen. Cijfers netjes schrijven hoort daar nog niet bij. Cijfers zie je overal: op huisnummers, in de lift, op de afstandsbediening en op de verjaardagstaart.

Kan je kind al tot tien opzeggen, maar herkent het de cijfers nog niet? Dan is het niet achter. Opzeggen en herkennen zijn twee verschillende dingen, en ze groeien niet altijd tegelijk.

Eerste en laatste

Wie staat er vooraan in de rij? Wie is de laatste? Kleuters leren dat een rij een begin en een eind heeft. Eerste en laatste komen in groep 1. Tweede, derde en verder volgen in groep 2.

Volg de pijl: de eend is de eerste, de kikker de laatste.

Waar een rij begint, is een afspraak. Een kind dat aan de andere kant begint, heeft dus niet zomaar ongelijk. Wijs samen aan waar je begint, of zet er een pijl bij.

Vormen, plaats en maat

Rekenen in groep 1 gaat niet alleen over getallen. Kleuters leren ook:

  • Vormen herkennen en benoemen: een cirkel (of rondje), een vierkant en een driehoek.
  • Zeggen waar iets is: op, onder, in, naast, voor en achter. Links en rechts komen pas later.
  • Maten vergelijken: groot en klein, lang en kort, zwaar en licht, vol en leeg. En welke de grootste, de langste of de zwaarste is.

Dat zijn woorden die je thuis vanzelf gebruikt. ‘Zet je beker maar naast je bord.’ ‘Welke tas is het zwaarst?’ Door ze vaak en bewust te noemen, krijgt je kind er grip op.

Patronen

Rood, geel, rood, geel: wat komt er nu? Een patroon zien en voortzetten is een vroege vorm van wiskundig denken. Je ziet een regel en past die toe. In groep 1 gaat het om eenvoudige AB-patronen, waarin twee dingen steeds om en om gaan. In groep 2 komen langere patronen zoals AAB en ABC.

Een AB-patroon: rondje, vierkant, rondje, vierkant. Wat komt er op het lege plekje?

Tip voor thuis: Rijg samen een ketting met kralen in twee kleuren, of leg een rij met bestek: vork, lepel, vork, lepel. Stop halverwege en vraag wat er nu komt. Klappen en stampen werkt ook: klap, stamp, klap, stamp.

Spelen, geen sommen

Misschien valt het op: in deze gids staan geen sommen. Dat klopt. In groep 1 maken kinderen nog geen plus- en minsommen. Erbij en eraf met 1 of 2 komt in groep 2, echte sommen in groep 3. Wat je kind nu doet, is de basis daaronder leggen, vooral door te spelen, te bouwen en te praten.

Kleuters verschillen veel van elkaar. Het ene kind telt al vlot tot twintig, het andere vindt vijf nog lastig. In groep 1 zitten kinderen die net vier zijn naast kinderen van bijna zes. Elk kind heeft een eigen tempo, en druk helpt daar niet bij. Plezier wel. Maak je je toch zorgen, praat dan met de juf of meester. Die ziet je kind elke dag in de klas.

Alle onderwerpen van groep 1 op een rij

Dit is de leerlijn die Summi in groep 1 volgt, gebaseerd op de tussendoelen van SLO. Het zijn 9 vaardigheden in 2 onderwerpen.

Tellen

  • Tellen tot 6Telt voorwerpen op een rij tot 6 en weet dat het laatste telwoord zegt hoeveel het er zijn (resultatief tellen).
  • Meer of minderZiet welke groep de meeste of de minste heeft, en welke groep evenveel heeft als een andere.
  • Eerste, tweede, derdeKent de rangtelwoorden: wie staat als eerste, als derde, als laatste in de rij? In groep 2 tot tiende.
  • GetalbeeldenZiet in één keer hoeveel het er zijn, zonder te tellen: dobbelsteen en vingers tot 6, daarna het rekenrek tot 10 en (groep 3) tot 20.
  • CijfersHerkent de cijfers 0 tot 10 en koppelt ze aan een hoeveelheid: hoort 'zeven' en tikt de 7, ziet de 4 en kiest vier stippen.

Vormen en patronen

  • Groot en kleinVergelijkt en ordent op grootte, lengte, gewicht en inhoud: de grootste beer, de kortste slang, het volste glas.
  • VormenHerkent een cirkel, vierkant, driehoek en rechthoek, ook als ze groot, klein of gedraaid zijn.
  • Waar is het?Begrijpt op, onder, in, voor, achter en naast, en in groep 3 ook links en rechts.
  • PatronenZiet de regel in een patroon en zet het voort: rood-blauw-rood-blauw, daarna lastiger patronen als rond-rond-vierkant.

Zo oefen je thuis

Je hoeft thuis niet te oefenen zoals op school, en werkbladen zijn niet nodig. Een paar minuten tellen of vergelijken tussen de dingen door is genoeg. Het werkt het best als het een spelletje is.

  • Traplopen. Tel samen hardop de treden, één tel per stap.
  • Tafel dekken. Laat je kind voor iedereen een bord neerzetten. Hoeveel borden heb je nodig? Zijn er genoeg vorken? Dat is tellen en evenveel tegelijk.
  • Dobbelspellen. Ganzenbord, mens-erger-je-niet of een eigen bordspelletje met één dobbelsteen. Je kind leert de dobbelsteenbeelden vanzelf en telt de stapjes op het bord.
  • Boodschappen. ‘Pak jij vier appels?’ ‘Welke tas is zwaarder?’ In de winkel is genoeg te tellen en te vergelijken.
  • Verstoppertje. Tel hardop tot tien voordat je gaat zoeken. Zo zegt je kind de telrij op zonder dat het als oefenen voelt.
  • Stop op tijd. Is het niet meer leuk, dan is het genoeg. Liever morgen weer even dan vandaag te lang.

Tip voor thuis: Laat je kind af en toe de juf zijn. Tel expres een keer fout: sla een getal over of tel een knuffel twee keer. Kleuters vinden het heerlijk om je te verbeteren, en ze moeten er goed voor opletten.

Zo helpt Summi

Voor groep 1, 2 en 3 heeft Summi een eigen wereld: de Speeltuin. Je kind hoeft niet te kunnen lezen. Summi leest elke vraag voor en je kind tikt op grote plaatjes, in groep 1 vooral stippen, dobbelstenen en vingers. Een ronde is 6 opgaven. Goed is een ster. Fout is ‘kijk nog eens’ en een tweede kans; gaat het weer mis, dan doet Summi het voor. Na elke ronde komt er een sticker in het stickerboek.

In groep 1 ziet je kind zes tegels: Tellen, Flitsen (getalbeelden), Meer of minder (ook groot en klein), Op een rij (eerste en laatste), Vormen (ook op, onder en naast) en Patronen. Summi begint zonder toets bij het begin van groep 1 en past het niveau daarna aan op de antwoorden van je kind.

Voor groep 1 begint het dagdoel op 5 minuten; dat kun je zelf aanpassen. In het ouderdeel zie je per vaardigheid hoe het gaat, en je kunt een opdracht klaarzetten. In de Speeltuin zijn er geen munten, geen winkel en geen reclame.

Handig voor andere ouders of de klassenapp?

Deel deze gids