Naar de inhoud

Rekenen in groep 4: wat leert je kind?

In groep 4 groeit rekenen van tellen naar echt uitrekenen. Sommen tot 20 moeten uit het hoofd gaan lukken, daarna werkt je kind met getallen tot 100. Ook de eerste tafels, de klok, munten en de liniaal komen voorbij. Welke volgorde en welk tempo de school kiest, hangt af van de rekenmethode. Zie dit dus als een overzicht van wat gebruikelijk is, niet als een vast rooster.

Plussen en minnen tot 20

Aan het begin van groep 4 rekenen veel kinderen nog op hun vingers. Dat mag, maar het doel van dit jaar is dat sommen tot 20 vanzelf gaan. Een belangrijke hulp zijn de ‘vriendjes van 10’: de paren die samen 10 maken, zoals 6 en 4 of 7 en 3. Wie die kent, kan over de 10 heen rekenen door eerst de 10 vol te maken.

8 + 5 = 8 + 2 + 3 = 1314 − 6 = 14 − 4 − 2 = 8

Eerst naar de 10, dan de rest: de 5 wordt 2 en 3.

8 + 5 =12 (fout)13 (goed)

Het begingetal meegeteld: je kind zegt ‘8, 9, 10, 11, 12’ en telt de 8 zelf ook als stap. Laat het tellen vanaf het volgende getal, of via de 10 springen.

Getallen tot 100

Je kind leert dat een getal als 47 uit twee delen bestaat: 4 tientallen en 7 eenheden. Klassen werken daarbij vaak met staafjes van tien en losse blokjes, of met geld. Ook de getallenlijn wordt belangrijk. Waar ligt 64? Net iets voorbij het midden tussen 60 en 70.

Zolang je niet over een tiental gaat, rekenen kinderen tientallen en eenheden apart uit.

43 + 25 = 6876 − 30 = 46

Tientallen bij tientallen, eenheden bij eenheden.

4 tientallen en 7 eenheden =74 (fout)47 (goed)

De cijfers in de verkeerde volgorde gezet. Waar een cijfer staat, bepaalt wat het waard is. Neem er echte tientallen bij, zoals briefjes van 10 euro en losse euro’s.

Bij deze getallen horen ook het dubbele en de helft. Dubbel 25 is 50, de helft van 30 is 15. Dat komt straks goed van pas bij de tafels.

Over het tiental en aanvullen tot 100

Het lastigste stuk van groep 4 is rekenen over een tiental heen. Het is dezelfde aanpak als bij sommen tot 20, maar nu met grotere getallen. Je kind springt eerst naar het hele tiental en rekent dan verder.

27 + 6 = 27 + 3 + 3 = 3351 − 4 = 51 − 1 − 3 = 47

Van 27 naar 30 is 3. Van de 6 blijft dan nog 3 over.

27 + 6 =23 (fout)33 (goed)

Het tiental vergeten. 7 + 6 is 13, maar je kind schrijft alleen de 3 op en laat de 2 tientallen staan. Met sprongen op een getallenlijn zie je dat het antwoord boven de 30 moet uitkomen.

Aanvullen hoort er ook bij: hoeveel moet er nog bij om bij 100 te komen?

64 + ? = 100 → 36

Van 64 naar 70 is 6, van 70 naar 100 is 30. Samen 36.

64 + ? = 100 =46 (fout)36 (goed)

Elk cijfer apart aangevuld tot 10: 6 + 4 en 4 + 6. Maar 64 + 46 is 110. Eerst naar het volgende tiental gaan, dan naar 100, voorkomt dit.

De eerste tafels

Keersommen zijn nieuw in groep 4. Eerst gaat het om begrijpen wat keer betekent: 3 × 4 zijn 3 groepjes van 4, dus 4 + 4 + 4. Daarna volgen de tafels van 1, 2 en 10. Die zijn het makkelijkst en de andere tafels leunen erop. Vervolgens komen de tafels van 5 en 4.

3 × 4 = 4 + 4 + 4 = 125 × 6 is de helft van 10 × 6 = 60, dus 304 × 7 is dubbel 2 × 7 = 14, dus 28

×5 is de helft van ×10. ×4 is het dubbele van ×2.

Kinderen ontdekken ook dat je een keersom mag omdraaien: 3 × 8 geeft hetzelfde als 8 × 3. En ze maken de eerste deelsommen, als omgekeerde van een tafel die ze al kennen: 20 : 2 = 10 en 70 : 10 = 7.

3 × 4 =7 (fout)12 (goed)

Opgeteld in plaats van keer gedaan. Leg drie rijtjes van vier knopen of snoepjes neer en tel ze samen: dan zie je wat keer betekent.

Vlot opzeggen hoeft in groep 4 nog niet; dat komt vooral in groep 5. Tips om de tafels stap voor stap te oefenen staan in Tafels oefenen: zo pak je het aan.

Klok en kalender

In groep 4 leren kinderen de wijzerklok lezen: eerst hele uren, dan halve uren en daarna kwart over en kwart voor. Minuten per vijf komen meestal pas in groep 5.

  • 123456789101112half vier3:30
  • 123456789101112kwart voor zeven6:45

half vier =4:30 (fout)3:30 (goed)

In het Nederlands tel je bij ‘half’ naar het volgende uur toe. Half vier is een half uur vóór vier uur. Kinderen die ook Engels horen (‘half past four’), raken hier extra snel in de war.

Ook de kalender komt aan bod: een week heeft 7 dagen, dus 3 weken zijn 21 dagen. Mei is de vijfde maand en april heeft 30 dagen. Meer over de klok lees je in Klokkijken oefenen: van hele uren tot tijdsduur.

Munten en briefjes

Je kind leert de munten en briefjes van 5 cent tot €50 herkennen. Daarna telt het op hoeveel geld er ligt en legt het zelf een bedrag neer. Afrekenen en wisselgeld komen in groep 5.

€2 + 50 ct + 20 ct + 20 ct = €2,90

€2 + 50 ct + 20 ct + 20 ct =4 euro (fout)€2,90 (goed)

Munten geteld in plaats van hun waarde: het zijn vier munten, dus ‘4 euro’. Begin bij de grootste munt en tel van daaruit verder: 2 euro, 2,50, 2,70, 2,90.

€4,60 = €2 + €2 + 50 ct + 10 ct

Pak steeds de grootste munt die nog past.

Meten, vormen en verhaaltjes

Naast de getallen komt er in groep 4 nog meer langs. Kinderen meten met een liniaal in hele centimeters. Begint een potlood niet bij de 0 maar bij de 2 en eindigt het bij de 9, dan is het 9 − 2 = 7 cm lang. Ze benoemen vormen zoals driehoek, rechthoek, vijfhoek en zeshoek en tellen de hoeken en zijden. En ze lezen turfjes en een eenvoudig pictogram.

Verhaaltjessommen zijn ook nieuw. Je kind moet dan zelf de som uit een zin halen: ‘Sam heeft 8 knikkers en krijgt er 5 bij’ is 8 + 5 = 13. Lezen en rekenen komen hier samen, dus dit kan lastig zijn voor kinderen die nog niet vlot lezen.

Wat er daarna komt, zoals getallen tot 1000 en alle tafels, lees je in Rekenen in groep 5: wat leert je kind?.

Alle onderwerpen van groep 4 op een rij

Dit is de leerlijn die Summi in groep 4 volgt, gebaseerd op de tussendoelen van SLO. Het zijn 21 vaardigheden in 7 onderwerpen. 21 daarvan zijn nieuw in groep 4. De rest komt uit eerdere groepen en wordt nu vlotter of groter.

Getallen

  • Plussen en minnen tot 20nieuwRekent sommen tot 20 vlot uit het hoofd, ook over de 10 heen: 13 + 4, 8 + 5 en 14 − 6.
  • Getallen tot 100nieuwWeet dat 47 bestaat uit 4 tientallen en 7 eenheden, en wat elk cijfer waard is.
  • Getallenlijn tot 100nieuwZiet waar 64 ligt op een lijn van 0 tot 100 en kan een getal bij een streepje aflezen.
  • Plussen en minnen tot 100nieuwRekent sommen als 34 + 5, 56 + 30 en 47 − 23 uit het hoofd, zonder over het tiental te gaan.
  • Over het tientalnieuwRekent 38 + 7 via het tiental: eerst naar 40 (+2), dan nog 5 erbij. Ook terug: 42 − 5 = 42 − 2 − 3.
  • Dubbelen en halverennieuwWeet het dubbele en de helft van een getal: dubbel 7 is 14, de helft van 16 is 8, dubbel 35 is 70.
  • Aanvullen tot 100nieuwWeet hoeveel er nog bij moet: 64 + 36 = 100 (en niet 46). Ook tot 1000: 640 + 360.
  • VerhaalsommennieuwHaalt de som uit een kort verhaaltje en rekent hem uit: 'Sam heeft 8 knikkers en krijgt er 5 bij' is 8 + 5 = 13. Ook met keer en delen (groepjes, eerlijk verdelen).

Tafels

  • Keersommen begrijpennieuwBegrijpt dat 3 × 4 betekent: 3 groepjes van 4 (herhaald optellen, rijen en kolommen).
  • Tafels van 1, 2 en 10nieuwDe ankertafels waar de andere tafels op leunen.
  • OmdraaiennieuwWeet dat 3 × 8 hetzelfde is als 8 × 3. Zo hoeft je kind maar de helft van de tafels te onthouden.
  • Tafels van 5 en 4nieuw×5 is de helft van ×10, ×4 is het dubbele van ×2.
  • Delen door 1, 2 en 10nieuwDelen als omgekeerde van de ankertafels.

Geld

  • Munten en briefjes tellennieuwHerkent munten en briefjes (5 cent tot €50) en telt op wat ze samen waard zijn: €2 + 50 ct + 20 ct = €2,70.
  • Bedrag neerleggennieuwLegt een bedrag als €3,70 neer met munten en briefjes.

Klok

  • Hele en halve urennieuwLeest hele en halve uren op de wijzerklok en weet dat half vier 3:30 is (een half uur vóór vier uur).
  • Dagen, weken en maandennieuwKent de kalender: een week heeft 7 dagen, 3 weken zijn 21 dagen, mei is de 5e maand en april heeft 30 dagen.
  • Kwart over en kwart voornieuwLeest en zet kwartieren op de klok: kwart over zeven is 7:15, kwart voor zeven is 6:45.

Meten

  • Liniaal aflezennieuwMeet met een liniaal hoe lang iets is in hele centimeters, ook als het niet bij de 0 begint (van 2 tot 9 is 7 cm). In groep 5 ook in millimeters.

Meetkunde

  • VormennieuwHerkent en benoemt driehoek, vierkant, rechthoek, cirkel, vijfhoek en zeshoek, en telt de hoeken en zijden van een vorm.

Grafieken

  • Pictogram en turvennieuwLeest turfjes (een bosje ||||| is 5) en een pictogram, ook als één plaatje voor 2 kinderen staat.

Zo help je thuis

  • Gebruik echte dingen. Knopen, blokjes of snoepjes maken plus, min en keer zichtbaar, en op deze leeftijd helpt dat meer dan een werkblad.
  • Speel spelletjes met dobbelstenen. Twee stenen optellen is vanzelf oefenen tot 12, en een dubbele worp is een mooi moment voor ‘dubbel 5 is 10’.
  • Hang een wijzerklok op een plek waar je kind vaak kijkt, en noem de tijd hardop: ‘Het is half acht, over een half uur ga je naar bed.’
  • Laat je kind zakgeld of spaargeld zelf tellen. Munten sorteren en optellen is precies wat in groep 4 aan bod komt.
  • Druk niet op snelheid. Eerst moet je kind snappen hoe het werkt; vlot rekenen komt daarna.

Tip voor thuis: Oefen de vriendjes van 10 met je handen: steek 7 vingers op en vraag hoeveel er nog ingeklapt zijn. Dat kan in de auto, aan tafel of in de rij bij de kassa.

Zo helpt Summi

Bij het profiel kies je groep 4. Na een korte kennismaking past Summi het niveau aan op de antwoorden van je kind. Getallen tot 100 en over het tiental oefent je kind op het Sprongstrand, de eerste tafels in de Tafelarena, de klok in de Klokkentoren en munten tellen op het Marktplein. De liniaal, vormen en turven zitten in de Meetwerf, de Vormenvallei en de Grafiekengrot. Grote keersommen in de Rekenfabriek gaan open vanaf groep 5, breuken vanaf groep 6.

Geeft je kind een fout antwoord dat bij een bekende fout past, zoals het tiental vergeten, dan krijgt het een korte tip en komt dat soort som later terug. Als ouder zie je per onderwerp hoe het gaat.