Rekenen groep 2: wat leert je kind en hoe oefen je thuis?
In groep 2 is je kind ongeveer 5 of 6 jaar. Rekenen gebeurt nog vooral spelend: in de kring, bij een spelletje, in de bouwhoek of bij het tellen van wie er vandaag is. Je kind telt verder dan in groep 1, ziet kleine hoeveelheden in één keer en ontdekt dat je een getal kunt opdelen. Dat lijkt klein, maar het is precies waar het rekenen in groep 3 op voortbouwt.
Elke school werkt op zijn eigen manier, en kleuters verschillen veel in tempo. Zie dit daarom als een overzicht van wat gebruikelijk is, niet als een lijstje dat af moet. Wat eraan voorafgaat, lees je in Rekenen in groep 1; wat erna komt in Rekenen in groep 3.
Tellen: verder en terug
De meeste kinderen kunnen aan het begin van groep 2 al een stukje opzeggen: 1, 2, 3, 4, 5. Nu wordt het tellen steviger. Je kind telt tot 10 of 12 en verkent de getallen tot 20. Het leert ook verder tellen vanaf elk getal (‘tel eens verder vanaf 6’) en terugtellen, zoals bij het aftellen voor een raket.
Daarbij hoort de telrij: welk getal komt na 7, en welk getal komt voor 5? Wie dat zonder vanaf 1 te beginnen weet, heeft de telrij echt in het hoofd.
4, 5, ?, 7 =7 (fout)6 (goed)
Het buurgetal gekozen. De telrij zit nog niet vast vanaf elk getal, dus je kind pakt het getal dat het al ziet staan. Oefen doortellen: tel verder vanaf 5, of terug vanaf 10.
Bij het tellen van dingen gaat het erom dat je kind bij elk telwoord precies één ding aanwijst. Dat heet ook wel synchroon tellen. Liggen de dingen door elkaar, dan is dat lastiger dan op een rijtje.
Zeven eendjes door elkaar =8 (fout)7 (goed)
Eentje te veel of te weinig geteld: een eendje overgeslagen of er een dubbel geteld. Tel samen en raak bij elk getal één ding aan. Schuif wat je al geteld hebt opzij.
Hoeveelheden in één keer zien
Gooi je een dobbelsteen met vijf ogen, dan hoef je niet te tellen: je ziet meteen dat het er vijf zijn. Dat heet subitizing, of gewoon: in één keer zien. In groep 2 leert je kind dat tot ongeveer 6, met de dobbelsteen, met vingers en met stippen.
Vanaf 6 helpt de structuur van vijf. Een volle hand is 5, dus 5 vingers en nog 2 is 7. Op school zie je die vijf ook terug in een rekenrek en in rijtjes van vijf stippen.
- Dobbelsteen5 ogen
- Vingers7: een volle hand en 2
- Stippen6: een rij van 5 en 1
Cijfers van 0 tot 10
Je kind leert de cijfers van 0 tot 10 herkennen en koppelen aan een hoeveelheid. Het hoort ‘zes’ en wijst het cijfer 6 aan. Of het ziet een 4 en pakt vier blokjes. Het cijfer is daarmee een teken voor iets wat je kunt tellen, niet zomaar een vormpje.
De 0 is een bijzondere: er is niets. Een leeg bord of een lege doos is een mooi moment om dat te benoemen.
Erbij en eraf
In groep 2 komen er dingen bij en gaan er dingen weg, eerst met 1 of 2. Dat gaat met verhaaltjes: ‘Er zitten 4 vogels op het dak. Er komt er 1 bij. Hoeveel zijn het er nu?’ Sommen met een plus- of minteken zijn hier nog geen doel. Het gaat erom dat je kind snapt dat erbij meer wordt en eraf minder.
Daar horen de woorden meer, minder, evenveel, meeste en minste bij. Die zijn voor veel kleuters nog niet stevig: wie de groep met de minste kiest als je om de meeste vraagt, heeft vaak het woord nog niet goed te pakken.
4 auto’s, 2 rijden weg =6 (fout)2 (goed)
Erbij en eraf verwisseld. Speel het na met speelgoed: zet 4 autootjes in de garage en laat er 2 wegrijden. Worden het er meer of minder?
Splitsen: 5 is 2 en 3
Splitsen betekent: een getal opdelen in twee stukjes. Vijf knikkers kun je verdelen in 2 en 3, of in 4 en 1. In groep 2 oefent je kind dat tot 6 en verkent het ook de getallen tot 10. Op school gebeurt dat vaak met een splitshuisje: bovenin het totaal, in de twee kamers de twee stukjes.
Hetzelfde getal kan op verschillende manieren.
7 is 3 en ? =7 (fout)4 (goed)
Het totaal genoemd in plaats van het verstopte stukje. Er zijn 7 knikkers, je kind ziet er 3 en zegt 7. Speel ‘hoeveel zitten er onder de beker?’ met echte knikkers, dan kan je kind na afloop zelf kijken.
Eerste, tweede, derde
Rangtelwoorden zeggen welke plek iets heeft in een rij: de eerste, de derde, de laatste. In groep 2 gaat dat tot de tiende. Het lastige is vaak niet het woord, maar waar je begint. Telt je kind de rij vanaf de verkeerde kant, spreek dan af waar de rij begint (bij de deur, bij de juf) en wijs samen mee.
Patronen, vormen en meten
Kleuters leggen veel patronen, met kralen, blokjes of kleuren. In groep 2 worden ze ingewikkelder: niet alleen rood, blauw, rood, blauw (AB), maar ook twee keer rood en dan blauw (AAB) of drie verschillende kleuren om en om (ABC). Je kind moet dan zien wat er steeds terugkomt en het patroon zelf voortzetten.
Daarnaast komen vormen (cirkel, vierkant, driehoek, rechthoek) en woorden over waar iets is: op, onder, in, naast, voor en achter. Bij meten gaat het om vergelijken: wat is het grootst, het langst, het zwaarst, het volst?
Wat aan het eind van groep 2 belangrijk is
Twee dingen springen eruit als je kijkt naar wat je kind meeneemt naar groep 3.
- Hoeveelheden tot 6 in één keer overzien. Wie bij een dobbelsteen of een hand vingers niet meer hoeft te tellen, houdt in groep 3 ruimte over voor het rekenen zelf. Het rekenrek en de rijtjes van vijf in groep 3 leunen daarop.
- Splitsproblemen tot 10 oplossen. In groep 3 komen plus en min tot 10, bijvoorbeeld met bussommen: er zitten 6 mensen in de bus, er stappen er 2 uit. Wie weet dat 6 bestaat uit 4 en 2, ziet het antwoord. Later helpt splitsen ook bij sommen over de 10, zoals 6 + 8 = 6 + 4 + 4.
Lukt het een van beide nog niet helemaal, dan is dat geen reden tot zorg. Kleuters ontwikkelen zich met sprongen, en de juf of meester van groep 3 begint weer bij het begin. Twijfel je, vraag dan gerust hoe de school het ziet.
Alle onderwerpen van groep 2 op een rij
Dit is de leerlijn die Summi in groep 2 volgt, gebaseerd op de tussendoelen van SLO. Het zijn 12 vaardigheden in 3 onderwerpen. 4 daarvan zijn nieuw in groep 2. De rest komt uit eerdere groepen en wordt nu vlotter of groter.
Tellen
- Meer of minderZiet welke groep de meeste of de minste heeft, en welke groep evenveel heeft als een andere.
- Eerste, tweede, derdeKent de rangtelwoorden: wie staat als eerste, als derde, als laatste in de rij? In groep 2 tot tiende.
- GetalbeeldenZiet in één keer hoeveel het er zijn, zonder te tellen: dobbelsteen en vingers tot 6, daarna het rekenrek tot 10 en (groep 3) tot 20.
- CijfersHerkent de cijfers 0 tot 10 en koppelt ze aan een hoeveelheid: hoort 'zeven' en tikt de 7, ziet de 4 en kiest vier stippen.
- Tellen tot 20nieuwTelt voorwerpen die door elkaar liggen tot 10 (groep 2) en tot 20 in groepjes van vijf (groep 3).
- De telrijnieuwWeet welk getal ontbreekt in de telrij, telt door en terug vanaf elk getal en springt in groep 3 met 2, 5 en 10 (tot 100).
Plus en min
- Erbij en erafnieuwZiet hoeveel het er worden als er 1 of 2 bij komen of weggaan (3 eendjes, er komt er 1 bij), eerst tot 6 en daarna tot 10.
- SplitsennieuwWeet hoe je een getal in twee stukken verdeelt: 7 is 3 en 4. In groep 2 tot 6, in groep 3 tot 10 met het splitshuisje.
Vormen en patronen
- Groot en kleinVergelijkt en ordent op grootte, lengte, gewicht en inhoud: de grootste beer, de kortste slang, het volste glas.
- VormenHerkent een cirkel, vierkant, driehoek en rechthoek, ook als ze groot, klein of gedraaid zijn.
- Waar is het?Begrijpt op, onder, in, voor, achter en naast, en in groep 3 ook links en rechts.
- PatronenZiet de regel in een patroon en zet het voort: rood-blauw-rood-blauw, daarna lastiger patronen als rond-rond-vierkant.
Zo oefen je thuis
Je hoeft thuis geen les te geven. Een paar minuten spelen werkt het best, en stoppen zolang het nog leuk is ook. Elk kind heeft zijn eigen tempo.
- Speel dobbelspellen, zoals ganzenbord of mens-erger-je-niet. Je kind ziet het aantal ogen in één keer en telt daarna de stapjes op het bord.
- Kaartspellen met cijfers, zoals Uno of een zelfgemaakte memory met cijfers en stippen, oefenen cijfers en hoeveelheden tegelijk.
- Vraag ‘laat eens 7 zien’ met je vingers. Een volle hand en nog 2 is sneller dan zeven vingers één voor één opsteken.
- Leg een paar knikkers neer, laat je kind tellen en verstop er een paar onder een beker. Hoeveel zitten eronder? Dat is splitsen.
- Tel de treden van de trap, naar boven en naar beneden. Of tel samen af: 10, 9, 8 … 0, en dan mag de raket.
- Maak er erbij-en-eraf-verhaaltjes van aan tafel: ‘Je hebt 3 druiven, ik geef je er 1 bij.’
Tip voor thuis: Vraag af en toe hoe je kind iets weet. ‘Hoe zag je zo snel dat het er vijf waren?’ Het antwoord vertelt je meer dan of het klopt.
Zo helpt Summi
Bij het profiel kies je groep 2. Je kind speelt dan in de Speeltuin, de wereld van Summi voor groep 1, 2 en 3. Summi leest alles voor en je kind tikt op grote plaatjes: stippen, vingers, een dobbelsteen of een cijfer. Lezen hoeft niet.
In groep 2 staan er acht tegels op het startscherm: Tellen, Flitsen, Meer of minder, Op een rij, Vormen, Patronen, Erbij en eraf en Splitsen. Je kind kiest er zelf een, of laat Summi een gemengde ronde kiezen. Een ronde is 6 opgaven. Is een antwoord fout, dan mag je kind nog een keer kijken, en daarna laat Summi zien hoe het moet. Na elke ronde krijgt je kind sterren en een sticker voor het stickerboek.
Het dagdoel begint op 5 minuten; dat kun je zelf aanpassen. Als ouder zie je per vaardigheid hoe het gaat, en je kunt een opdracht klaarzetten.
Handig voor andere ouders of de klassenapp?
Deel deze gids