Naar de inhoud

Rekenen met geld: tellen, afrekenen en wisselgeld

Rekenen met geld begint in groep 4 met munten herkennen en tellen. In groep 5 en 6 komen afrekenen en wisselgeld erbij, en in groep 6 en 7 het verband tussen euro’s en centen en ‘hoeveel kun je kopen?’. Het lastige is dat kinderen met twee eenheden tegelijk werken: 100 cent is 1 euro, en dat vergeten ze makkelijk. Elke school en methode kiest een eigen volgorde en tempo, dus zie de groepen hieronder als richting.

Munten en briefjes tellen

Jonge kinderen tellen vaak de munten zelf: vijf munten, dus vijf euro. Maar een munt van 10 cent is veel minder waard dan een munt van 1 euro. Leer je kind daarom de munten eerst op volgorde te leggen, van groot naar klein, en dan door te tellen vanaf de grootste.

€1 + 50 ct + 20 ct + 10 ct + 10 ct = €1,90

Doortellen vanaf de grootste munt: €1, €1,50, €1,70, €1,80, €1,90.

Munten van 1 en 2 cent kom je in Nederland bijna niet meer tegen: bij contant betalen wordt afgerond op 5 cent. Daarom rekenen kinderen op school en in Summi meestal met munten vanaf 5 cent. Meer over wat er in groep 4 aan bod komt, lees je in Rekenen in groep 4.

Een bedrag leggen met zo min mogelijk munten

Een bedrag neerleggen kan op veel manieren. Met zo min mogelijk geld gaat het zo: pak steeds het grootste briefje of de grootste munt die nog past, en kijk wat er overblijft.

€8,80 = €5 + €2 + €1 + 50 ct + 20 ct + 10 ct

Na €5 blijft €3,80 over. Dan €2, dan €1. Voor de laatste 80 cent zijn drie munten nodig: 50, 20 en 10 cent.

Legt je kind wel het goede bedrag, maar met twee munten van 50 cent waar één euro kan? Dan klopt het antwoord, alleen niet op de kortste manier. Vraag: ‘Kan het met minder?’

Afrekenen: prijzen bij elkaar optellen

Tel eerst de hele euro’s op, dan de centen. Komen de centen samen boven de 100 uit, dan wordt daar een euro van. Dat laatste is de stap die kinderen het vaakst overslaan.

€3,45plus€2,80
€3,45 + €2,80 = €5 + €1,25 = €6,25

Euro’s: €3 + €2 = €5. Centen: 45 + 80 = 125 cent, en dat is €1,25.

€3,45 + €2,80 =€5,25 (fout)€6,25 (goed)

De euro’s en centen zijn goed apart opgeteld, maar de euro uit 125 cent is vergeten. Vraag bij de centen steeds: ‘Is dit meer dan 100 cent?’

Een prijs als €2,95 is bijna €3. Reken dan met €3 en haal er aan het eind 5 cent af. Zo rekenen volwassenen in de winkel ook uit hun hoofd.

€2,95 + €1,40 = €3 + €1,40 − 5 ct = €4,35

Wisselgeld: aanvullen vanaf de prijs

Hoeveel krijg je terug als je met een briefje van €10 iets van €6,35 betaalt? Je kunt aftrekken, maar aanvullen is veel minder foutgevoelig. Je begint bij de prijs en telt op tot het bedrag dat je gaf. Eerst naar de volgende hele euro, dan naar het briefje.

  1. €6,35naar€7:65 cent
  2. €7naar€10:€3
  3. Samen terug: €3,65

€10 − €6,35 =€4,65 (fout)€3,65 (goed)

De 65 cent klopt, maar van €6 naar €10 geteld in plaats van van €7. Die ene euro is al gebruikt om van €6,35 naar €7 te komen. Hardop aanvullen in twee sprongen voorkomt dit.

Een andere fout: per cijfer het kleinste van het grootste afhalen. Dan wordt €5 − €2,45 ineens €3,45 in plaats van €2,55. Ook hier helpt aanvullen: €2,45 → €3 is 55 cent, €3 → €5 is €2.

Tip voor thuis: Laat je kind het antwoord controleren door terug te rekenen: prijs plus wisselgeld moet precies het betaalde bedrag zijn. €6,35 + €3,65 = €10.

Euro’s en centen: de komma bij geld

1 euro is 100 cent. Bij geld staan achter de komma altijd twee cijfers, en samen zijn dat de centen. €4,05 is dus 4 euro en 5 cent, of 405 cent. Van euro naar cent reken je met keer 100, van cent naar euro met gedeeld door 100.

€2,40 = 240 cent€4,05 = 405 cent1250 cent = €12,50

Let op de nul: €0,50 is een munt van 50 cent, €0,05 een munt van 5 cent.

€3,05 =€3 + 50 ct (fout)€3 + 5 ct (goed)

Het eerste cijfer achter de komma zijn dubbeltjes, het tweede losse centen. De nul in €3,05 zegt: nul dubbeltjes.

Sommige kinderen denken dat er 10 cent in een euro gaan. Dan wordt €2,40 ineens 24 cent. Tel samen tien munten van 10 cent: dat is precies één euro, dus 100 cent. Geld is ook een handige opstap naar kommagetallen, zie Kommagetallen.

Hoeveel kun je kopen van je geld?

Je hebt €12 en een stripboekje kost €2,50. Hoeveel boekjes kun je kopen? Tel de prijs steeds bij elkaar op tot je niet verder kunt. Wat overblijft, houd je over.

€2,50 → €5 → €7,50 → €104 × €2,50 = €10

Nog één boekje erbij is €12,50: dat is te veel. Je koopt er 4 en houdt €2 over.

€12 : €2,50 =6 (fout)4 (goed)

De centen van de prijs zijn weggelaten: 12 : 2 = 6. Maar €2,50 is meer dan €2. Herhaald optellen laat zien dat er maar 4 in passen.

Sneller gaat het met groepjes: twee boekjes kosten samen €5, dus in €10 passen er 4. Met grotere bedragen wordt dit een deelsom. Hoe je die onder elkaar maakt, lees je in De staartdeling. En wil je kind weten welke verpakking voordeliger is, dan helpt de verhoudingstabel. Korting uitrekenen komt in groep 7 en 8, zie Procenten berekenen.

De opbouw van groep 4 tot groep 8

Zo bouwt Summi geld op, gebaseerd op de tussendoelen van SLO. Per groep staat wat er nieuw bij komt; wat eerder begon, blijft terugkomen tot het vlot gaat.

  1. Groep 4

    • Munten en briefjes tellenHerkent munten en briefjes (5 cent tot €50) en telt op wat ze samen waard zijn: €2 + 50 ct + 20 ct = €2,70.
    • Bedrag neerleggenLegt een bedrag als €3,70 neer met munten en briefjes.
  2. Groep 5

    • AfrekenenTelt prijzen bij elkaar op, ook als de centen samen over een euro gaan: €2,75 + €1,50 = €4,25.
    • Zo min mogelijk muntenLegt een bedrag met zo weinig mogelijk munten en briefjes: €3,70 = €2 + €1 + 50 ct + 20 ct.
    • WisselgeldRekent uit hoeveel je terugkrijgt, door aan te vullen: betaal €5 voor €3,65, dan €3,65 → €4 → €5 = €1,35 terug.
  3. Groep 6

    • Euro en centWeet dat €3,70 hetzelfde is als 370 cent en dat €0,50 niet hetzelfde is als €0,05.
    • Hoeveel kun je kopen?Rekent uit hoe vaak een prijs in een bedrag past: van €10 koop je 6 ijsjes van €1,50 (en je houdt €1 over).

Zo help je thuis

  • Laat je kind bij de bakker of de markt zelf contant betalen en het wisselgeld natellen.
  • Speel winkeltje met echt geld of speelgeld en prijskaartjes op dingen uit de keukenkast.
  • Vraag bij de kassa vooraf: ‘Hoeveel krijgen we terug van €20?’ en controleer het samen.
  • Geef zakgeld deels in munten en laat je kind het bedrag zelf tellen en bijhouden.
  • Laat je kind met een vast bedrag iets uitzoeken, bijvoorbeeld snoep van €2: wat past erin?

Tip voor thuis: Laat je kind wisselgeld hardop aanvullen, zoals een kassamedewerker dat vroeger deed: ‘€6,35 … €6,50, €7, en dan €8, €9, €10.’ Bij elke munt die je neerlegt, hoor je het bedrag groeien.

Zo helpt Summi

Op het Marktplein staat je kind achter de kassa van het Winkeltje. Elke klant is een geldsom: afrekenen, het bedrag klaarleggen, munten tellen of wisselgeld teruggeven. Summi is de hulp achter de toonbank. Het Marktplein is vanaf het begin open. Zodra je kind in groep 7 of 8 ook procenten oefent, komt er af en toe een klant met een kortingsbordje.

Summi herkent fouten zoals de vergeten euro bij afrekenen of bij wisselgeld, €0,50 en €0,05 verwarren, en de centen van een prijs vergeten. Je kind krijgt dan een korte tip en daarna gerichte opgaven. In de Bibliotheek staan korte lessen over munten, afrekenen, wisselgeld, euro en cent, en hoeveel je kunt kopen. Als ouder zie je welk foutpatroon speelt.